Schrijfwedstrijd

Traditiegetrouw is aan dit festival een schrijfwedstrijd verbonden. Het thema van de schrijfwedstrijd is dit keer: "Blij dè ge d'r wir bent".
De wedstrijd wordt georganiseerd door de Stichting Brabants Dialectenfestival in samenwerking met de Stichting Erfgoed Brabant.
Er kunnen verhalen, gedichten en liedteksten ingestuurd worden die gebaseerd op het genoemde thema en geschreven zijn in het eigen Brabantse dialect. 

U stuurt uw verhaal, gedicht of liedtekst voor 1 maart 2022 naar De Stichting Brabants Dialectenfestival, p.a. Deensehoek 23, 5737 PB Lieshout

Lieshout onder vermelding van: schrijfwedstrijd
of digitaal naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

De jury bepaalt wie er per categorie genomineerd wordt en aan wie er - per categorie - de Brabantse dialectpenningen wordt uitgereikt. Bovendien worden de genomineerde teksten - met vermelding van de winnaar - opgenomen in het programmaboekje van het festival.
De uitreiking is op de avond voor het festival: 11 juni. Op deze manier kan er voldoende aandacht worden besteed aan dit onderdeel van het festival.

Thematoelichting schrijfwedstrijd Brabants Dialectenfestival Lieshout 2022

Blij dè ge d’r wir bent.

Het zou ons niet verbazen als dit dé spreuk wordt van ’21-’22.

Want wat een “jaar” hebben we achter de rug.

Waar aanvankelijk uitgegaan werd van “het zal wel meevallen”, is het daarna dagelijks aan de orde geweest.

Wat begon met eenvoudige maatregelen liep uit op lock-down: geen horeca, geen groepen buiten, niet sporten (behalve in je eentje bij “Nederland beweegt” of met de sportschool), niet kaarten, niet zingen, geen cursussen (behalve digitaal), niet knuffelen, maximaal 1 bezoeker thuis, niet reizen, geen feesten, geen theater, avondklok, kortom zo weinig mogelijk contacten.

En dan merk je hoeveel mensen er normaal in je dagelijks leven een rol spelen, wat je allemaal met andere mensen samen doet, hoeveel inspiratie je ook uit die contacten haalt.

En dan de mensen waar we dit niet meer tegen kunnen zeggen, omdat ze ons in die tijd ontvallen zijn.

Maar het is (bijna) achter de rug en we kunnen verder: Blij dè ge d’r wir bent.

We hebben veel gemist, hebben ook nieuwe dingen ontdekt en gedaan, er zijn ook mensen die juist genoten hebben van de rust en aanzet tot bezinning op druk-druk-druk… die deze periode bracht, maar ook….....we hebben heel veel in te halen en we hopen dat we daarvoor de tijd krijgen!

We zijn benieuwd naar ervaringen, ontdekkingen, belevenissen van Brabanders.

Voor manier van deelnemen zie onze website: schrijfwedstrijd / reglement.

De dialectpenning

Bij elk dialectenfestival hoort sedert het begin in 1994 een schrijfwedstrijd. Deze wedstrijd stond onder auspiciën van het Noord-Brabants Genootschap te ’s-Hertogenbosch, sinds 2014 organiseert de Stichting Dialectenfestival deze wedstrijd in samenwerking met Erfgoed Brabant. Voor deze schrijfwedstrijd worden de Brabantse dialectpenningen uitgereikt. 
Deze kunstzinnig vormgegeven penning is ontworpen door Nelleke de Laat (Berlicum) en werd in brons gegoten door Ton Buijnsters (Helvoirt). Na het overlijden van Ton Buijnsters in 1998 zijn de oorspronkelijke mallen overgenomen door het Noordbrabants Genootschap.

De dialectpenning wordt uitgereikt op de Avond van de schrijfwedstrijd (zaterdagavond in het festivalweekend) aan degene die door de jury (uit de genomineerden) wordt aangewezen.
Naast nominaties kunnen ook eervolle vermeldingen worden verleend.

Hieronder volgen de nominaties en eervolle vermeldingen van de wedstrijden tot en met het eerste festival in 1994.

De met * gemerkten wonnen de dialectpenning in de betreffende categorie.

De winnaars in 2020 zijn:

2020

Categorie liedteksten:
Gerard van Kol: Ze mist um
Hans Lakwijk: Honderd jaor
Frank van Osch: Tien stroate weier *
Categorie verhalen:
Riny Boeijen: Loslaote *
Jan Luysterburg: 't Bangeske
Cor Swanenberg: Och Sjannie
Categorie gedichten:
Rensz Gorisse: As d'n himmel kleurt
Ans van Kessel: Ik zó ouw zo géér *
Anny van der Looij: Lieve dochter

2018

De indeling in categorieën werd hier losgelaten. Er waren geen genomineerden, alleen winnaars.
Liedteksten:  deze dialectpenning is niet uitgereikt
Verhalen: Mientje Wever: Ons thuus.
Gedichten: Gerard Ulijn: Toe uurst

2016

Categorie liedteksten:
Roaw  Vlis: Zatterdag Oavend *
Gerard Wigmans: Mun durpke
Tonny v.d. Nieuwenhof: Vruuger en nou
Categorie verhalen:
Riny Boeijen: Zaddoek *
N. Steegs - v.d. Laar: Gildezeuster
Johan Biemans: Zeg mär dä'k nie thaus ben
Categorie gedichten:
Gerard Ulijn: Trant *
Will Segers: Foto
Mientje Wever: Troost

2014

Categorie liedteksten:
Johan Otten: Klènne man*
Hans Lakwijk: Kedoo-liedje
Tonny v.d. Graft: M'n zwetsbuukske
Categorie verhalen:
Henk Janssen: Durskes of chickies, dè's de vraog *
Riny Boeijen: 't Wôtter van ons opa
Mientje Wever: 'n Nèèj fietske
Categorie gedichten:
Hans Lakwijk: Op dieje plek *
Nely de Groot: Saomen
Will Segers: Bolivia

2012

Categorie gedichten
1. Leo Wagemans (Beers), 't Beekske van Laarbeek
2/3. Toon Konings en Will Segers
Categorie verhalen
1. Will Segers (Alphen), Wijwaoter
2/3. Henk Janssen en Mientje Wever
Categorie liedteksten
1. Sjef van Rooij en Hans Lakwijk (Den Bosch), 't Strömke
2/3 Vin Baltussen en Gerard van Kol. 

2010

Categorie liedteksten.
Gerard van Kol: Zomerdag
Frank van Osch: Laot oe zien
’t Reusels Muziekske: Kekt ons mer is*
Categorie verhalen.
Peter van den Elsen: Nie dè ik zonne bliejkert ben*
Nelly de Groot-Cooijmans: ’t Kan verkere
Henk Janssen: Iejk, Ties, kékt ons nou ‘s
Categorie gedichten.
Geen nominaties
Eervolle vermelding
Toon Konings: Ik waar gezien

2008

Categorie liedteksten.
Jeanne van der Rijt: Skuif mar aon *
Wil Nelemans: Ouwerwets gezellig
Categorie verhalen.
Nelleke de Laat: Van toffele kumt toffele
Henk Janssen: Over geluk gesproowke
Carel Thijssen: Dè lus ik nie *
Categorie gedichten.
Henk Janssen: Ode on ’t toffelgreij
Mientje Wever: De toffel van ons moeke *

2006

Categorie liedteksten.
Lambert van Hintum:Vertrek
Jeanne van der Rijt: Loslaote *
MarieChristien Verstraten: Afscheid
Categorie verhalen.
Jace van de Ven: Hoe Merinus in het leecht verdween*
Johan Biemans: Afskeit.
Categorie gedichten.
Cor Swanenberg: Verlorre bruurke*
Diny van Oostrum: Overmacht
Mia Dekkers-Swinkels: Vriende

2004

Categorie liedteksten.
Jeanne van der Rijt: D’n zuvvende himmel
Willemien Lips: Ons opoe
MarieChristien Verstraten: ‘t Belangrijkst*
Categorie verhalen.
Nelly de Groot-Cooijmans: Bezoiniging*
Cor Swanenberg: Ziek van d’n dokter
Mevr. D. Roothans: Op meen gezondheid
Categorie gedichten.
Cor Swanenberg: Es ik‘nen tovenaar waar
Henk van der Aa: Luus en Linnard
Mevr. D. v. Oostrum: Vruute*

2002

Categorie liedteksten.
Wout van Venrooij: Jarig
Willemien Lips: De kerkmis
MarieChristien Verstraten: ’t Leve*
Categorie verhalen.
Nelly de Groot-Cooijmans: Anders as anders
F.J. Smits: Limmeneere op ‘n gaauw brùlleft
Wout van Venrooij: Fist*
Categorie gedichten.
Geen nominaties.

Eervolle vermelding: Nelleke de Laat: Goewd getroffe!

2000

Categorie liedteksten.
Geen nominaties
Eervolle vermelding:
Ineke Ploegmakers-Wijnen: Die wa bewaort
Categorie verhalen.
Mari Meulenbroek: Langs de lijn
Ad Otten: Mèjd de mojs-èèrum *
Categorie gedichten.
Geen nominaties.
Eervolle vermelding
Henk van der Aa: Oowmen Dorrus
Mientje Wever: Jöttere

1998

Categorie liedteksten.
F. van Osch: Naor de kiet terug*
C.Laureys: De kruk
Categorie verhalen.
Henk van der Aa: Mies*
Frans Smits: Driek en Bertha Pirkes
Frans Smits: Harrieke de Smaole
Categorie gedichten.
G. Bogaers: Ik maag zôgeere*
Eervolle vermelding:
Mientje Wever: Zes Kêls
P. Panis: Gouwe baore van ’t graon

1996

Categorie liedteksten.
Marja van Trier: Trôôst*
Frans Nefs : De juf
Categorie verhalen.
Willem Iven: Vadderke speule
Frans Smits: Tusse de kraome op de mèrt
C. Thijssen: Nella*
Categorie gedichten.
Geen nominaties:
Eervolle vermelding:
Frans Nefs: Klein kulleke in ’t ziekehuis
P. Panis: zonder titel

1994

Categorie liedteksten.
Riek Verploegen: De schoenmaoker
A.A. Riether: Kom’s efkes*
Sjef Verhoeven: Vorstenbosch
Frans Nefs: De kannepé
Maja van Trier: Noot mir tégewènd
Categorie verhalen.
Arno Peters: De kouwseboks
R. van Laere: ’n Stijf boerke
G. Bogaers: Post veur Jaanske*
O.M. Steeghs-van der Laar: DeKòje kuus
Rien de Rooij: Zaoterdagaovond
Categorie gedichten.
J. Stroucken: Opa*
Jos Swanenberg: De leste
Frans van Dooren: November
Martien Goossens: Piepke verbèèrrege
Piet Snijders: Lente 

Liedteksten

Bij de liedteksten werd de dialectpenning in 2020 uitgereikt aan;

Frank van Osch: Tien straote weier.
 
Tien stroate weier
Tien stroate weier
Een end verder in de stad
Gè waart m’n liefke
Gè waart m’n grote schat
Tien stroate weier
’t is eigenlijk hil vlakbij
Ge waart zo nooi bij mèn
En dus ging ‘t vurbij
D’r wonen nog wa aander
Exen in dees stad
Mee een stroat of twintig
He’k ze allemoal gehad
Die aander vrouwe
Zie ik bekant nie mir
Zal dè ok zo mi jou goan
Of is t aanders dees keer
Tien stroate weier
De kiendjes zèn bij jou
Ik mis die klein mèskes
En ik mis jou
Tien stroate weier
Het is eigenlijk hil vlakbij
Mar we rakte mekaare kwijt
Wij zèn nooit mir wij
Tien stroate weier
Tien stroate weier…. 

In 2018 werd er geen dialectpenning uitgereikt aan liedteksten.

Verhalen

Bij de verhalen werd de dialectpenning in 2020 uitgereikt aan:

Riny Boeijen: Losloate

(in het dialect van Berghem)
‘Wilde oewe mens loate begraave of loate cremeere?’
Ons mam verschoot. Ze rilden efkes èn keek uurst nor beneeje of doar misschien ’t antwoord laag. Dan nor mijn. Vroagend. We hán mekaare giestere nog gesproke, ons pap èn ikke. Hij waar ongeneeslek ziek èn elken dag kon vort de lééste zijn.
We zaaten in de serre èn keeke nor d’n hof. Hij zin niks. Proate was toch al nie zunne stèrkste kant, hoewel-ie af èn toe mooi uit d’n hoek kon kômme. Ons pap luisterde miejr.
Hij waar nie vur niks z’n hiejl leeve kastelein geweest. Unne goeie kastelein prôt nie, die luistert. Nor ’t gezwèts, ’t geziejver, ’t gevrèèl, ’t geaawoer. Hij wis precies wanniejr-ie niks moes zegge: ‘Ja jonge, ’t valt nie mee’, ‘Ge kun ’t vertelle, gé’. Mar ès ze wegginge, gaaf-ie alt dezèlfde bôdschap mee: ‘Rèècht nor huis wor jonge èn dè’k niks van oe huur.’
Onderweeges nor ons thuis há’k de woorde gezoacht die’k ‘m nog há wille zegge. Mar telkes ès ik ‘r ’n por gevonden há èn ze op ’n réijke zette, zinne ze mar half wèt-ie vur me betiejkend há.
‘Bende bang um doewd te gôn, pap?’
Toen ik ’t vroeg, há’k ’m nie ôn dörve kijke.
‘Nee jonge, ik ben nie bang. Ik gô nog liever vandaag ès mèèrege.’
Ik weet nie wè’k dan wel há willen huure, mar di din ziejr.
‘Is t’r nog iets dè’k doen kan?’
Hij keek nor buite, slikte.
‘Zörgt goewd vur ons mam. Miejr nie.’
D’r ontsnapten ’n troan. Hij veegde ze hôstig weg.
‘Netuurlek doe’k dè, pap. Èn eh … misschien ’n aarige vroag: Wè zudde ’t liefste wille: begraave of cremeere?’
Hij laachde: ‘Doet mar allebèèj. Ge kunt noit weete.’ Dan ernstig: ‘Och jonge, kekte gullie mar. Ik ben d’r dan toch nie mer.’
Ons afscheid waar anders ès anders. Misschien moet ik zegge: mijn afscheid. Ons pap há me wir dezèlfde bôdschap meegegeeve: ‘Rèècht nor huis wor jonge èn dè’k niks van oe
huur.’ Mar toen ik ôn de honderèntwentig kilometer nor huis begon, leek ’t nèt of dè’k mi unne stiek ôn ‘m vaastzaat. Hoe wijer ik wegrakte, hoe miejr dieje stiejk trok. Emmôl thuis
kwaam ik hôst nie mer vurruit. Ik prebeerde unne krant te leeze, tillevisie te kijke, eete lusten ik nie. Dieje stiek bleef mar trekke. Totdè ons mam soaves bèlde èn zin dè ons pap doewd waar. Toen liejt-ie los èn vloog ik trug.
Hij laag opgebaard in de slopkamer. Ik kwaam nie wijer ès halverweege d’n trap. Doar moes ik gôn zitte, want leek bekant te stikke. Ès of dieje stiek toen-ie losliejt um munnen nèk was geslaage. Ons pap heb ik nie mer gezien.
’n Enkelde weeke lôtter wandelden ik dur ’t dörp woar ik wônden èn kwaam langs ’t kerkhof. Ik há d’r niks te zuujke, mar toch trok ‘r iets. Misschien kwaam dè wel umdè we ons pap hán loate cremeere. ’t Waar ’n mooi kerkhof. Gen rééje stiejn, mar pèdjes mi rontelum buujm èn doartusse de graave. M’n oewg viel op enne stiejn: ‘Hier rust Wim’. Ik kreeg kiepevèl. Zoewe hiette ons pap ok. Ik liejp ‘r nor toe èn ging ‘r bé zitte. Dizze Wim al lang gen bezoek mer gehaad. D’r ston allemôl bocht, de plante waare kepot èn de kiezelstentjes gruujn. Ik begon d’n bocht uit te trekken èn meepessant mi ons pap te proate.
Ik vertelde dè’k ‘m gruwelek misten èn dè’k m’n èège schamde gen bidprentje te hebbe geschreeve èn gennen toespraak te hebbe gehaawe.
‘Ik kon ’t nie, pap. Ik waar teveul mi m’n èège verdriet bezig. Mar ik zörg wel goewd vur ons mam.’
Nô ’n uur ging ik op huis ôn. Ik vuulde m’n èègen opgelucht.
’n Por weeken doarnoa ging ik wir. Ik há twieje plante meegebrocht èn unne zak kiezelstentjes. Terwijl ik mi ons pap prôtte, begon ’t graf van diejen andere Wim hellemôl
op te knappe.
In de mônden die volgde, bleef ik nor ’t graf gôn. Mar hoe dukker dè’k ging, hoe miejr ik ok begon te droewmen over ons pap. Èn in die droewme kon ik steeds moeilijker bé ’m kômme. ’t Leek wel of ik wir opnéijt ôn dieje stiek vaastzaat. Èn elke ker ès ik ‘m riejp, zwaaiden-ie, drèèjde z’n èègen um èn ging. Worrum wôt-ie nou weg?
Toen ik op unne zondagmiddag wir bé ’t graf zaat, hörden ik innens ’n stem: ‘O, bende gé dè.’ Ik verschoot. D’r ston ’n klèèn aaw vrouwke mi ‘ne rollator.
‘Ik heb al over aaw gehuurd. Ge haawt ’t graf van munne mens bé. Dè’s mooi van oe, mar worrum? Hedde gé munne mens gekend?’
Ik din mi horten èn stoewte m’n verhaal. ’t Vrouwke luisterde èn vertelde dè ze ’n joar geleeje durren heup há gebrooken èn al diejen tijd nie van huis há gekunne.
‘Ik mis menne Wim ok, mar ik heb ‘m loate gôn. Nor d’n hemel, woar-ie thuishört. Dè zudde gé ok moeten doen. Zunne ziel moet rust veine èn gé blijft ‘m mar vasthaawe.
Dorrum ploagt-ie oe, in oew droewme. Ès ge ècht um iemes gift, moete’m ok los kunne loate. Zuukt ’n mooi memènt uit èn lôt ’m gôn. Hij zit al lang van binne, doar göt-ie noit mer uit.’
’t Waar unne prachtige nômiddag. De zon lin ’n kopperklurrig licht over de grafstiejn èn de vuggelkes floote dèt ’n aarighèd waar. Ik há d’r munnen tijd over gedôn, mar hij waar kloar:
d’n toespraak die ik eigelek há willen haawe. Ik laas ‘m veur èn liejt ons pap los. ‘Rèècht nor d’n hemel wor pap èn dè’k niks van oe huur.’
Bij de verhalen werd de dialectpenning in 2018 uitgereikt aan:

Mientje Wever: Ons thuus

’t Umdrèje van de sleutel klinkt hol ien de gang wor gènne loper mer lit. Vördèt de slopers komme wil ik nog ènne keer dör ’t huus lope um de vergète dinge en de spulle die ik tot ’t lâtst toe heb laote staon, mî te neme.

Iefkes blief ik staon, ik luuster, ’t huus mien zô bekend ôjjemt ’n vrèmde stilte. De gang is smal en hoog, ân de rechterkaant viende de deure nô de kelder en de opkamer. Links is ’n deur mî dor aachter de grote vörkamer.

Ik maak de kelderdeur los. ’t Ruukt ‘r muf. ’t Bietje licht dè dör ’t kliene ronde ruutje valt, kumt net nie tot an de ronde bôvekaant.

De lèvertraonfles stöt op de bôvenste schap, op ’n schuttelke dè ‘n klien stukske mist uut ’t gouwe rendje, ’t köpke is al wâ langer kepot. Moeke viendt dè erg, ’t was hör ènigste köpke dè ’n gouwe rèndje haj. Onder ien stöt de grote brune Keulse pot mî zuurkool. Same mit ons moeke heb ik de kool mî heel veul zout angestampt, mien haand zien d’r helemôl schraol en rood van. De twee zwaore kienderköpkes houwe de houte plenkskes, die de pot mî zuurkool afdekke, op zien plets.

Nog ènne keer zet ik mien vuut op de trap mî zien uutgeslete treeje en loop trug nô bôve. De zwaore deur valt mî veul lawaai toe.

As ik de deur van de opkamer losmaak, mot ik bukke um miene kop nie te stote, zo leeg is ’t kozijn.

‘’t Grote houte ledikaant stèkt vrèmd af bej ’t witte iezere bed mî zien hoge vör- en achterkaant. Moeke zet dè we blej motte zien mî ’t bed dè we hebbe gekrege.

Ze hèt ‘r ’n wèèk lang bej de fietsemaker, wor ze duut poetse, vör motte werke. Ze wil ’t verve, dan is ’t wer as neej.

Tusse de bedde stöt ’t nachkèsje mî ’t marmere blad dè nog van ons opoe is gewèst. De flanelle lakes vule lekker zaacht an. De dikke gestikte dèke het ons moeke goed iengestopt aanders schuuftie weg. Ik lig op miene rug en tel de boge van ’t plafond. De grote kruk, gemakt van ’n granaathuls uut de twèède wereldoorlog lit lekker werm tège mien an. ’t Is ‘r soms zô kouw dè mienen ôjjem bevriest op ’t lake.

De deur nôr de vörkamer klemt, mî unne flinken douw maak ik ‘m los. De vörkamer is nooit ’n echte kamer gewèst, mar ’n kamer wor ge dör mot lope um ien de andere vertrekke te komme. De mure zien hoog en ’t plafond bladdert af.

De witte plavuuze zien van mien, ik hinkel van de ene witte plavuus nô d’n aandere en probeer de zwarte nie te rake. Ik mot oplette dè’k nie strukel want as ik op de kokosmat val dan zoj ik mien knejje kunne schave.

’t Bloementuffelke is nog lèèg, daor mot ’t kerstbumke komme staon.

Opèns moet ik lache. Ik herinner me nog dè de kerstkrenskes die, ze ware van suker, mèstal wâ daag vör kerst ien ’t bumke wiere gehange. Nô ’n wèèk ware ze èns zô dik, zô vochtig was ’t ien huus. Stôke deej moeke ien de vörkamer nie, dè was te duur en meer werkhuus neme dè ging ok nie. Dan zoj ze vör ons, hör blage, tied te kort zien gekomme.

Vanuut de vörkamer loop ik de keuke ien, ons moeke noemde dè ok wel de geut. De keuke is klien en leeg. As ik op mien tene stoj dan kan ik mî mien vingertoppe ’t grune houte plafond anrake. De grote kopere knop van de pomp schittert ien de zon. As ik ’t anrechsdurke losmaak ziej ik tot mien verbazing dè de zoutpot is blieve staon, zôn klien blauw Keuls pötje. Hoe duk ien hör lève zoj moeke mî hör haand zout gestrôjd hebbe? ’t Zout wâ nog ien de zoutpot zit mot al duk dör d’r vingers zien gegleeje. Moeke strôwde altied mî de haand. Ik zet de zoutpot op ’t anrecht, ik wil ‘m mî nô huus nemen. “Mî zout en trane motte zuinig zien, ge kunt ze nog hard genoeg nôdig hebbe” zei moeke altied. De deur van de huuskamer stöt los.

Moeke zit ien de schommelstoel bej ’t raam. De hökpen ien hör kromgegroeide vingers gaot vlug op en neer. Alt as ze zit te höke of te breie zèt ze zaacht wâ weesgegroetjes. De kat die nèven hör op de grond zit probeert de leeg hangenden draod te griepe. De pan mî soep stöt op de kachel te trekke, ik ruuk dè we kiepesoep kriege.

As ik nô ’t raam loop ziej ik dè bute de lâtste aasters ien bloei staon. Ien de keuke pak ik de zoutpot en loop trug nô de vörkamer. Dor is nog één deur diej ik los wil make, de slaopkamerdeur van ons moeke en ons pap. Vörzichtig kiek ik nô binne.

De kiest mî ’t dooie lichaam van ons pap stöt op twee stuul. De wijkzuster van ’t Wit-Gele Kruus hèt ‘m unne gestriepte pyama an gedaon en zwarte sök. De pyama ziej ik gister mit ons moeke wiste kopen want ons pap sliep altied ien ’n hemd mî mouwe. Zien vuut wieze op ’n vrèmde manier nô bôve, as of ze uut de kiest wille. Ien zien haand hèt ie unnen rozekrans mî hout krale. Hej stöt ‘r al twee daag en d’r hangt ’n vrèmde lucht ien de slaopkamer. ’n Lucht die’k nie gauw zal vergète, ’n mengeling van odekolônje en de dood.

Ik pak de klink van de deur ien mien hand en trek ‘m mî unne knal toe. De schielfers die van ’t plafond nô onder dwarrele vang ik ien mien haand op.

Ik hang de rugzak mî de zoutpot en de aandere herinneringe um mien schouwers en sluut vör de lâtste keer de vördeur.

Bute maak ik mien haand los, de wiend spùlt mî de schielfers.

Imbie = Mientje Wever

Gedichten

De dialectpenning voor gedichten werd in 2020 toegekend aan:

Ans van Kessel:  Ik zó óuw zó gèer

(in het dialect van Vorstenbosch)

Ik zó óuw zó gèer
Ik zó óuw zó gèer nog unne keer
in’t vruuge lentelicht
dicht bê me wille vuujle
dè mooi gezicht wir
neeve men op ’t kusse
’t raom wijd oope en vuggelkes
op de vensterbank, gin aander
klanke dan’t hèldere fluite
ik wandel mî m’n vingers
drèij krullekes in oew haor
d’r hoeft gin woord gezit
zoo gónge we dur d’n tijd m’n lief
waor vein ik óuw nog óit terug
ge lópt aalt dur m’n denke
ik zuujk oew alle mèrges wir
um d’n dag te kunne beginne
en blijf, zólang ik leeve mag
óuw stillekes beminne.
De dialectpenning voor gedichten werd in 2018 toegekend aan:

Toe uurst - geschreven door Gerard Ulijn

Uurst,
toe uurst nog edder waar
ès uurst.
Toe al de daag
zondag waare.
Toe we nog
iederiejnkennig waare.
Toe ik nog
konthamers vong
èn kralle plukte,
keejk ik miejr vort
ès treujgouwt.
Mar nou mun toekomst
korter wùrt,
wooj ik in mun horses
miejr èn miejr treujk.
Want nou mun stèpkes
gòn striemele,
máán en vijn ik dètter
tusse de opgònde
èn de ondergònde zon
de wèrmte van uurst
èn nouw,
bekaare truufelt.

Reglement

Schrijfwedstrijd bij het Brabants Dialectenfestival Lieshout op 12 juni 2022

Reglement
  1. Aan de schrijfwedstrijd kan worden deelgenomen met: verhalen, liedteksten en gedichten.
  2. Het thema van de schrijfwedstrijd is "Blij dè ge d'r wir bent". Thematoelichting op de website van het dialectenfestival. 
  3. U geeft aan voor welke tekstsoort u inzendt: verhaal, gedicht of liedtekst
  4. Uw tekst behandelt in het Brabants dialect het thema op een originele en eigentijdse manier.
  5. Uw tekst of lied is speciaal voor deze schrijfwedstrijd geschreven en werd niet eerder gepubliceerd in een boek of tijdschrift of op een cd vertolkt.
  6. Uw tekst moet voorzien zijn van een titel.
  7. U geeft aan in welk dialect (noem dorp of stad) u heeft geschreven.
  8. Liedteksten moeten vergezeld gaan van een geluidsopname. De uitvoering mag op cd, usb-stick of bestandje via e-mail aangeleverd worden. Er mag gewerkt worden met een bestaande melodie.
  9. Als u een verhaal inzendt kunt u maximaal 1000 woorden gebruiken; als u een gedicht of liedtekst inzendt kunt u maximaal één A-4tje gebruiken.
  10. U kunt per tekstsoort één tekst inzenden, maar u mag wel voor alle drie de tekstsoorten inleveren.
  11. U stuurt uw werk onder een pseudoniem op en u heeft dat pseudoniem nog niet eerder gebruikt. De naam is dus specifiek gekozen voor deze wedstrijd. Met dit pseudoniem ondertekent u dus uw bijdrage en u schrijft het pseudoniem ook als afzender op de enveloppe waarmee u inzendt. In die enveloppe sluit u ook een gesloten enveloppe in waarin u uw eigen naam en adres heeft ingesloten. Op deze manier kan de jury uw tekst objectief beoordelen.
  12. Alle inzendingen moeten getypt of geprint worden ingezonden. Handgeschreven inzendingen worden niet beoordeeld. 
  13. Stuur geen originelen in zonder eerst zelf een kopie gemaakt te hebben. Inzendingen worden namelijk eigendom van de Stichting Brabants Dialectenfestival en worden niet geretourneerd.
  14. U stuurt uw verhaal, gedicht of liedtekst voor 1 maart 2022 naar De Stichting Brabants Dialectenfestival, p.a. Deensehoek 23, 5737 PB Lieshout of digitaal naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. onder vermelding van: schrijfwedstrijd.
  15. De jury wordt aangezocht door de Stichting Brabants Dialectenfestival.
  16. De jury kan voor iedere tekstsoort maximaal drie kandidaten nomineren voor de prijs: de dialectpenning.
  17. De uitslag wordt bekend gemaakt op 11 juni 2022 tijdens een speciale avond, waar de genomineerden van iedere tekstsoort hun werk presenteren en de jury de winnaars bekendmaakt. De genomineerden worden hiervoor uitgenodigd. De dialectpenning wordt na afloop uitgereikt. Over de uitslag wordt niet gecorrespondeerd.